‘Je moet eerst zaaien om te kunnen oogsten.’

‘Je moet eerst zaaien om te kunnen oogsten.’

Werkers op Zuid: Charendy Puriel, complex- en wijkbeheerder voor Woonbron in Carnisse

Dagelijks werken de partners van het NPRZ om het op Zuid beter te maken voor de huidige en de nieuwe bewoners. Deze serie portretteert de mensen die zich inzetten voor een sterker Zuid. Deze keer: Charendy Puriel, complex- en wijkbeheerder bij Woonbron voor de Vogelbuurt en de Eilandenbuurt in Carnisse.

Het Amelandseplein was een doorn in het oog van Charendy Puriel. ‘Dat wat een fijne speelplek zou moeten zijn voor kinderen, leek meer op een vuilstortplaats,’ vertelt hij. ‘Tussen de dichtbegroeide bosjes zocht ’s nachts een toenemend aantal buitenslapers hun heil. Dat moest veranderen,’ zegt Puriel. ‘We hebben als netwerk de koppen bij elkaar gestoken en een plan van aanpak gemaakt. Groenvoorziening heeft alle overbodige bossage weggehaald, waardoor het nu weer een overzichtelijk plein is, waar buurtbewoners zich veilig voelen.’ Het is slechts één van de vele voorbeelden die Charendy Puriel kan geven, om uit te leggen wat zijn werk als complex- en wijkbeheerder in Carnisse inhoudt.

Appgroep
‘Mijn werk is heel breed, en elke dag is anders,’ vertelt hij. ‘Ik ben er voor de bewoners en vorm de schakel tussen hen en Woonbron. Alles wat ik doe is erop gericht de wijk heel, schoon en veilig te houden. Dat doe ik niet in mijn eentje, maar samen met het netwerk: mensen van de gemeente, van de politie, stadstoezicht, Dock, TOS, noem maar op. Eens per twee weken komen we samen. Dan bespreken we alles wat ons is opgevallen in de wijk, en bepalen we samen wie het probleem gaat oppakken. Ook hebben we een appgroep, waarin we melding maken van de dingen die we tegenkomen. Van een foutgeparkeerde auto tot rondslingerend huisvuil.’

Iets goeds doen
Puriel kwam in 2014 in Carnisse terecht, waar hij werd aangesteld als wat toen nog ‘buurtconciërge’ heette. ‘Carnisse was door het NPRZ aangemerkt als focuswijk,’ vertelt hij. ‘Sommige mensen spraken van een ghetto, maar ik zag een mooie wijk. Een wijk die altijd in beweging is, waar alle nationaliteiten en godsdiensten vertegenwoordigd zijn, en waar voor een buurtconciërge dus altijd wel wat te doen is.’ Puriel licht dat toe: ‘Stel, jouw geiser is kapot. Je wil er melding van doen, je spreekt alleen geen Nederlands. Dan kun je wel bellen naar Woonbron, maar dan is het heel lastig om duidelijk te maken wat precies je probleem is. In die gevallen stuurt mijn collega mij op jou af. Als ik bij jou thuis ben, snap ik vaak binnen een paar minuten wat er aan de hand is, en kan ik zorgen dat je probleem verholpen wordt. Daar word je blij van, toch?’

Band met bewoners
Door de band die Puriel met bewoners opbouwt, kan hij ze ook vragen wat voor hém te doen. Hun achtertuin onderhouden, bijvoorbeeld. ‘Dat vraag ik op een heel rustige manier, van mens tot mens. Als je mensen goed behandelt, zijn ze ook bereid naar jou te luisteren,’ is zijn standpunt.
Puriel is voor een korte periode overgeplaatst geweest naar Spijkenisse. Maar al snel werd hij gevraagd om terug te komen naar Carnisse. ‘Daar heb ik toen meteen ja op gezegd. Veel bewoners waren blij, want mij kenden ze.’ Puriel voelt zich op zijn plek in de wijk, zegt hij. ‘Hier heb ik een band met de mensen opgebouwd. Ik ben degene die naar hen luistert, hen helpt. Ze vertrouwen me.’

Eerst zaaien
Puriel komt gekke dingen tegen in zijn werk. Hij zou er een boek vol over kunnen schrijven, zegt hij. Van burenruzies tot huis-uitzettingen. Vooruitgang bespeurt hij gelukkig ook in Carnisse. ‘Zeker. Maar je moet eerst zaaien om te kunnen oogsten. En in Carnisse zijn we nog altijd aan het zaaien. Zeker omdat de doorloop zo groot is, duurt het lang voor je resultaat hebt van je werk.’ Neemt niet weg dat Puriel vindt dat hij de mooiste baan heeft die er is. ‘Ik heb de vrijheid, ben veel buiten, en de hele dag door sociaal bezig. Dat mensen zich prettig en veilig voelen in de wijk, daar doe ik het voor. En stap voor stap komen we daar wel.’