‘Het bedrijfsleven en jongeren van Zuid kunnen veel van elkaar leren.’

‘Het bedrijfsleven en jongeren van Zuid kunnen veel van elkaar leren.’

Werkers op Zuid: Fay Tulling, vestigingsmanager JINC

 

Dagelijks werken de partners van het NPRZ om het op Zuid beter te maken voor de huidige en de nieuwe bewoners. Deze serie portretteert de mensen die zich inzetten voor een sterker Zuid. Deze keer: Fay Tulling, die zich als operationeel vestigingsmanager van JINC Rotterdam inzet voor gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor ieder kind in Rotterdam.

Vanuit haar kantoor op de zevende verdieping van de Maassilo kijkt Fay Tulling uit over de Maashaven en Katendrecht. Daarachter de skyline van Rotterdam, met zijn glimmende kantoorgebouwen. ‘Net als ik vroeger, hebben veel kinderen in Rotterdam-Zuid geen idee wat er in al die torens gebeurt. Wat mensen bij bedrijven als ING en Deloitte Touch de hele dag doen? Ze hebben geen flauw benul. Daarom nemen wij ze mee. De brug over, die glimmende gebouwen in, met de lift omhoog, de werkvloer op.’

Tulling werkt bij JINC, een organisatie die strijdt voor een maatschappij waarin je achtergrond niet je toekomst bepaalt. In het hele land biedt JINC aan scholen programma’s aan voor leerlingen van acht tot zestien jaar, waarmee leerlingen steviger de arbeidsmarkt op gaan. De programma’s variëren van een sollicitatietraining, waarbij professionals de jongeren trainen onder schooltijd, tot taaltrips en bliksemstages gericht op brede beroepsoriëntatie. Zo gaan ze naar de bakker om de hoek en naar een advocatenkantoor, maar ook naar een bouwbedrijf of een zorginstelling, omdat daar veel werk te vinden is.’

Eye openers
Tulling benadrukt dat het tweerichtingsverkeer is. Zij wil jongeren op Zuid verbinden aan het Rotterdamse bedrijfsleven, maar ook andersom. ‘Niet alleen de jongeren hebben iets te leren, ook de professionals. Zij merken wat het oplevert als je iets verder kijkt dan je neus lang is.’ Ze zal een voorbeeld geven. ‘We hadden een advocaat uitgenodigd om een vmbo-schoolklas een sollicitatietraining te geven. Komt er tijdens de training één van de leerlingen veel te laat de klas binnen. De aanwezige docent gebaart de jongen om plaats te nemen. Na afloop wil de advocaat van de docent weten waarom ze er geen punt van maakte, dat die leerling zo laat was. Waarop zij uitlegt dat deze jongen elke dag eerst zijn broertjes en zusjes naar school moet brengen, voor hij zelf naar school kan, omdat zijn ouders dat niet doen. En dat ze dus al heel trots op hem is dat hij überhaupt elke dag verschijnt. Wat ik bedoel: dat soort dingen zijn voor veel professionals eye openers. En dat raakt mij dan weer heel erg.’

Sociale vaardigheden
Zelf heeft ze een tijdlang sociale vaardigheidstrainingen gegeven. ‘Wanneer vertel je iets over jezelf en wanneer niet? Dat zijn bijvoorbeeld onderwerpen die ik behandelde.’ Zo leerde ze de doelgroep van heel dichtbij kennen: ‘In week één stelden de kinderen zich nog heel afstandelijk op. Eentje zei letterlijk: u denkt toch dat wij maar kutkinderen zijn. Maar na een paar weken ontstond er een band. Ik merkte hoe kinderen groeien, als je ze oog voor ze hebt en echt naar ze luistert. Ik ontdekte dat veel van de kinderen in mijn groepje niet graag hun zwaktes tonen. Ik heb ze willen laten zien dat het soms juist wél slim kan zijn. Dat je soms juist beter hardop kunt zéggen tijdens een sollicitatiegesprek dat je zenuwachtig bent, omdat je daarmee juist laat zien hoe belangrijk je het vindt.’

Duwtje in de rug
Over haar drijfveer kan ze kort zijn: ‘Als je in Hillegersberg wordt geboren, schop je het vaak verder, dan wanneer je met dezelfde talenten wordt geboren in een wijk als IJsselmonde of Feijenoord,’ aldus Tulling. ‘Dat vind ik heel gek. Dat moet gewoon anders.’
Zelf is ze geboren en getogen in Lombardijen, nu woont ze in Zuidwijk. Dat ze zichzelf herkent in de kinderen waar JINC zich op richt, helpt haar in haar werk. ‘Ik weet wat leerlingen hier op Zuid voor hun kiezen krijgen. Er is veel onrust op straat, veel jongeren leven thuis in armoede, inspirerende rolmodellen ontbreken. Zij kunnen dat extra duwtje in de rug gewoon heel goed gebruiken.’